Esther: Lamp

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Esther: Lamp
Esther Geschreven door:
Esther,
Juli 2011

De lamp op mijn bureau kijkt met mij mee naar buiten, naar dat zwarte gat dat het nachtelijke uitzicht is vanuit mijn kamer. Nou ja, echt veel uitzicht is het niet.

Op een afstand van grofweg tien meter prijkt een straatlantaarn, maar dat is alles. Het grote broertje van mijn bureaulamp… Al jaren onopgemerkt gebruikt, achteloos voorbij gereden door wel duizend vreemdelingen en zoals vele andere nachten moet hij ook nu een plensbui doorstaan. Hij ondergaat het met gebogen hoofd, lijdzaam, eenzaam.

Mijn bureaulamp, die zijn dagen slijt met het observeren van de straatlantaarn, weet hoe deze zich voelt. Ook hij staat daar eigenlijk alleen maar.

En waar de straatlantaarn nog elke nacht zijn schemering laat vallen op ons stukje grond, wordt de bureaulamp slechts een enkele keer per maand gebruikt, als hij geluk heeft.
Daarentegen zit hij wel vierentwintig uur per dag vastgeketend aan een elektriciteitsnet van 220 volt. Ach, het kan altijd erger; de straatlantaarn zit voor de rest van zijn leven klem tussen de stoeptegels, daarbij vergeleken mag de bureaulamp zich gelukkig prijzen.

Als ik eerlijk ben, weet ik zelf ook hoe respectloos ik met mijn verlichting omga. Want àls ik mijn bureaulampje een keer gebruik, is dat vaak niet eens waarvoor hij bedoeld is, om bij te lichten, maar – heel denigrerend – om ervoor te zorgen dat het raam niet dicht waait als ik het open gezet heb.

Zo ook deze keer. Dat moet vernederend zijn voor zo’n lampje, maar ik troost mezelf  met de gedachte dat hij dan in elk geval kan genieten van het uitzicht op zijn lotgenoot.

In tegenstelling tot de straatlantaarn die verlegen vanuit zijn ooghoek terugkijkt naar mijn lampje, doet de bureaulamp geen enkele moeite om zijn verlangens te verbergen. Met uitgestrekte hals tuurt hij ongegeneerd en onafgebroken door de kier van het open raam naar de stevige paal, die uitmondt in de elegante hals die het verlichte kopje draagt.
Regendruppels glijden langzaam, bijna sensueel langs het gladde metaal naar beneden. Mijn ding is het niet hoor.

Maar het wordt al laat, tijd om het licht uit te doen, naar bed te gaan en de tortelduifjes fijn van elkaars aanblik te laten genieten. Ik voeg de daad bij het woord en sluit de dag af. Met het getik van de regen op de achtergrond, zweef ik weg in een diepe nachtrust.

Ik schrik wakker van een geluid. Hoe moe ik ook ben, ik zou zweren dat ik wat hoorde! Een zwaar, schrapend gehijg. Ik gil, gooi in blinde paniek met een schoen en verstop me de rest van de nacht onder de dekens.

Pas ’s morgens durf ik te kijken wat ik geraakt heb. Een groot glazen oog ligt aan scherven op de grond, een nek in een vreemde richting geknakt.

Hij zat naar mij te kijken, ik weet het zeker! Maar dat is nu voorgoed voorbij. Zijn licht zal nooit meer schijnen, en de lantaarnpaal zal zijn dagen moeten slijten in volledige eenzaamheid. Hoewel, misschien krijgt hij nu eindelijk rust.