Saskia: Iets wat niet kan, kan toch

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Saskia: Iets wat niet kan, kan toch
Saskia Geschreven door:
Saskia,
Juli 2011

Ik woonde op een oude zolderkamer in een studentenhuis, vol met spinnenwebben. Het was een artistieke, gezellige kamer maar toch had het soms een grimmige sfeer.

Op een avond pakte ik mijn schrijfboek, de foto van mijn overleden vader en een kaarsje. Ik schreef erin hoeveel ik hem miste en hoe graag ik hem weer wilde zien. Al was het maar voor een minuut. Ik wilde weten of hij nog ergens was, want als hij nog ergens zou zijn betekend het dat ik hem ooit nog ga zien.

Ik vroeg om een teken zodat ik wist dat er meer zou zijn tussen hemel en aarde. Ik had op mijn laptop een afspeellijst op shuffle staan. Ineens kwam er een nummer met de tekst ‘I’m coming down’ en ‘but I know I’ll see your face again’.

Dat kan een teken zijn maar ook puur toeval, dat nummer staat tenslotte wel op mijn laptop.
 Als het nummer er niet op had gestaan en het werd dan afgespeeld, dan was het een teken geweest.

Ik schreef op dat ik het teken te vaag vond. Er moest iets onverklaarbaars gebeuren, iets wat niet kan. Dan geloof ik pas dat hij nog ergens bestaat.

Er gebeurde vervolgens niks en ik sloeg het boek dicht. Ik zette de televisie aan en ik belde een vriendin op. Tijdens het telefoneren liep ik naar het keukentje om thee te zetten.

Op dat moment gebeurde het, een waar teken uit de hemel. Niet alleen het licht viel uit, maar ook de laptop en mijn televisie. Hier heb ik lang om zitten vragen, om dit teken! In plaats van heel blij te worden, werd ik schijtbang.

Met de telefoon nog in mijn hand rende ik naar beneden, waar alle lichten het nog gewoon deden. Ik stond in de gang te trillen op mijn benen en geen van mijn huisgenoten waren thuis.

Ik durfde niet meer terug naar boven, als de dood dat mijn vader ineens in mijn kamer zou staan. Je weet maar nooit.
Terwijl dat eerst juist mijn grote wens was, om hem nog eventjes te kunnen zien. Ik besloot naar buiten te gaan, een paar vriendinnen van me zaten in een cafeetje in de buurt.

Het was koud, dus ik zou eerst nog naar boven moeten om mijn jas op te halen. De vriendin aan de telefoon probeerde me gerust te stellen en zei dat er niks kon gebeuren. In het ergste geval zou hij daar wel zijn, maar dat is dan toch alleen maar mooi?

Met mijn telefoon aan mijn oor rende ik de trap op. Ik wist waar mijn jas lag, helemaal in de hoek van de kamer. Ik bleef door praten en hield mijn ogen dicht. Ik griste de jas weg en vloog naar beneden.

Eenmaal buiten durfde ik weer op adem te komen. Die avond zijn vriendinnen bij me blijven slapen en kon ik weer rustig op adem komen.

Een paar dagen later wilde ik een kopje thee zetten. De stoppen sloegen door en alle elektriciteit viel ‘weer’ uit.