Monique: Koppelkat

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Monique: Koppelkat
Monique Geschreven door:
Monique,
Mei 2011

Ik liep met mijn overvolle boodschappentas richting huis. Zoals altijd liep ik door het park, deze route was iets langer maar wel veel leuker dan langs de wegen lopen. Het park was drukbezet, spelende kinderen, grinnikende ouders en pratende ouderen.

Ik wurmde me langs de ouders en probeerde de rondvliegende voetballen te ontwijken.

Toen ik richting het einde van het park liep zag ik een jongeman naar boven staren. Hij had golvend zwart haar en droeg een lichte spijkerbroek en zwart jack. Ik werd gelijk aangetrokken tot zijn mannelijke verschijning, en was ook wel nieuwsgierig: waar stond die knappe jongen naar te staren?

Ik ging naast hem staan en volgde zijn blik. Daar, boven in de boom, zat een kleine zwarte kat. ‘Jouw kat?’ vroeg ik de jongen. Hij schudde zijn hoofd, maar wendde zijn blik niet van de kat af.
‘Hij durft de boom niet uit,’ moppert de jongen. Ik vraag me af of hij het tegen zichzelf heeft of tegen mij.

‘We hebben een ladder nodig,’ zeg ik zachtjes, bang om hem af te schrikken. Hij kijkt me aan, met donkerbruine ogen, en glimlacht. ‘Jij bent geweldig.’ Hij grijpt me bij mijn schouders vast en draait me in de rondte. Ik grinnik en buig mijn hoofd, als bedankje.

Dan rent hij weg, ik zie hem wegrennen en ergens wil ik hem achterna. Dan haal ik diep adem, en pak mijn tassen weer van de grond, net als ik van plan ben weg te lopen, hoor ik zijn stortende ademhaling achter me.

Hij zet een houten ladder tegen de hoge boom en kijkt me aan. ‘Ga je gang,’ en hij wijst naar de ladder. Ik schrik, ik ga die ladder niet op. ‘Ik heb hoogtevrees,’ moppert de jongen. Ik zucht, ik kan hem toch moeilijk zo laten staan, ik zet mijn tassen maar weer neer en klim voorzichtig op de ladder.

Ik raak zijn hand heel even aan en kijk hem aan. ‘Hou me vast,’ fluister ik en hij knikt, waarna hij de ladder met beide handen vastpakt. Met trillende handen klim ik naar boven, ik durf niet naar beneden
te kijken. Als ik op ooghoogte zit van de zwarte kat steek ik mijn linkerhand trillend naar hem uit. De kat doet voorzichtig een stap in mijn richting, en likt mijn vingers. Ik leun nog iets verder naar links en grijp de kat met een hand beet. 

Voorzichtig daal ik weer neer met de kat onder mijn oksel. Plotseling begint de ladder te schommelen en grijp ik de kat iets te hard beet. De kat blaast en krabt aan mijn zij en arm. Ik gil en laat de kat van schrik vallen, zo’n beest heeft immers negen levens en ik heb er slechts een.

De ladder begint te wankelen, en ik hoor een paar kinderstemmen gillen. Ik sluit mijn ogen en maak me klaar voor de enorme pijn. Het duurt wel erg lang..

Dan open ik mijn ogen, ik voel warme handen om me heen, en stralende bruine ogen die naar me lachen. Hij heeft me gevangen. ‘Je hebt hem gered,’ zegt hij met stralende glimlach. ‘Graag gedaan,’ lach ik, hij heeft mij gered. ‘Drankje?’ vraagt hij voorzichtig. Ik glimlach. ‘Als je me neerzet.’

Lachend grijp ik mijn volle boodschappentassen en we lopen samen het park uit, gevolgd door de koppelende zwarte kat.