Pieter: Het is april 1967

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Pieter: Het is april 1967
Pieter Geschreven door:
Pieter,
Januari 2011

Maanden keek ik in de krant of er een klein huisje te koop was. Het was niet meer zo leuk thuis.

Ik wilde op mij zelf gaan, een eigen leven leiden. In mijn familie kwam eigen huis bezit niet voor. Huurhuizen, daar woonden ze in.

Ik zou dus een vreemde eend in de bijt zijn, een titel die mij wel aansprak. Op een bewuste dag kwam mijn leermeester en oudere collega schilder met een kleine advertentie uit de krant.

‘Kijk, dat is wat voor jou. Ze vragen er 7000 gulden voor. Een klein huisje in de Donkerstraat. Jij kunt van mij dat geld lenen en je gaat er als een speer naar toe’.

Zelden ben ik sneller door de stad gefietst als toen. Het bleek een nog net bewoonbaar huisje uit 1852 te zijn met een voordeur, een groot raam en een klein dakkapelletje tussen een dicht getimmerd ander huisje en een verkrotte werkplaats.

Op mijn aanbellen doet een dikke mevrouw open die vraagt wat ik kom doen. ‘Uw huis staat te koop en ik wil weten of
het wat voor mij is’, zeg ik timide. ‘Nou, kom maar binnen’ en ze gaat mij voor in haar kleine huisje dat niet meer bevat dan een kleine woonkamer van 16 m2, een uitgebouwd keukentje op een binnenplaatsje en een zoldertje waar je via een steile trap naar toe kwam. De warmte van de gaskachel slaat mij tegemoed.

‘Mijn man is Italiaan van geboorte en die heeft het altijd koud’ zei zij terwijl ik de zweetdruppels van mijn voorhoofd veeg. ‘Maar de kachel kan wel zachter hoor’.

‘Lijkt het je wat’ vraagt zij, terwijl ik in gedachte al aan het verhuizen ben, ‘maar je moet wel snel beslissen’.

‘Mevrouw, ik fiets naar mijn collega of hij dat geld nog wil lenen, ik ben zo weer’.

‘Nou, omdat jij het bent maar binnen een kwartier terug anders is er vast een ander die het betalen kan’.

Mijn collega ontploft van woede als ik hem om zijn toestemming vraag. ‘Ben jij bedonderd om nog terug te komen. Ik heb het je toch toegezegd. Jij leent die 7000 gulden van mij. Naar dat huisje toe en snel!

Bang rijd ik in een razende vaart terug naar het kleine steegje aan de oostkant van de oude binnenstad. Op mijn bellen verschijnt de dikke mevrouw weer aan de deur.
Pieter

‘En heb je het geld’ vraagt zij met een ongelovige blik. Uiteindelijk was ik in haar ogen nog maar een kind van twee-en-twintig jaar. ‘Ja mevrouw’.

‘Nou jongen je hebt geluk. Er was net iemand anders aan de deur maar die vond het te duur. Dus je hebt het. Mogen mijn man ik je feliciteren. Op dat moment komt er uit het kleine keukentje een kouwelijke kleine man. Lorenzo Radicchio stelt hij zich voor.

Ik woon er nog steeds, maar nu in het hele rijtje van voorheen vier huisjes. Want buurmanshuis is maar éénmaal te koop.