Sandra: De mooiste dag

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Sandra: De mooiste dag
Sandra Geschreven door:
Sandra,
Januari 2011

Op de derde dag dat we aan het klussen waren in ons huis aan de Diamanthof te B. wist ik het zeker: hier wilde ik niet wonen.

Maarten en ik waren twintigplussers en woonden nog thuis. Na drie maanden verkering voegden we onze inschrijving van de woningbouwvereniging samen en prompt kregen we een huis aangeboden.

Een eengezinswoning met een voor- en achtertuin, drie slaapkamers en een zolderverdieping over het hele huis!

Zodra we in het huis aan het werk waren, stond een buurjongetje dat niet groter was dan het onderste raam in de voordeur, met zijn handen als een verrekijker tegen het glas te hijgen. Als ik mijn tong naar hem uitstak, deed hij hetzelfde. Als ik hard de gang in rende, bleef hij rustig staan.

In de onbetegelde tuin zaten twee meisjes die door de omheining van coniferen en kippengaas waren gedrongen. Op mijn vraag wat ze daar deden, zei het bloemetjesjurkje dat ze daar gewoon zaten. ‘In mijn tuin,’ zei ik. ‘Nee hoor,’ zei
spijkerrokje, ‘onze zandbak. Wij spelen hier altijd.’ Maarten beloofde dat alles goed zou komen als we er eenmaal woonden.

Op de dag dat de inrichting compleet was, volgde de nacht die in het huis doorgebracht moest worden. Mijn moeder die in haar leven vijf keer was verhuisd, zei dat ik mezelf tijd moest gunnen om te wennen. Zelf had ze daar steeds ongeveer een jaar voor nodig gehad.

Al gauw bleek buurman rechts een bouwvakker die zeer regelmatig zijn werk mee naar huis nam. Op het laatst waren alle tussenmuren gesloopt en zag ik de eettafel voor de voordeur staan. Links naast ons huis was een blinde muur waartegen de Marco’s en de Ruudjes van de wijk hun balgevoel oefenden.

Haaks op ons hoekhuis stond de ‘hunkerbunker’, een 3-hoge flat waar vrijgezellen wachtten op de ware. De waarheid was dat er altijd wel ergens een raam openstond waaruit keiharde muziek klonk, en niet mijn smaak.

Pal achter onze tuin was een speeltuintje dat overdag door krijsende kinderen ingenomen werd. Op de late avond schoolden hangerige pubers samen – met luide conversatiestemmen – rond de wipkip. De achterbuurvrouw schreeuwde een paar keer per dag dat Sanne thuis
moest komen, maar Sanne had klaarblijkelijk niet zulke goede oren als ik. Net als ‘Poe-Kie, Poe-Kie, Poe-Kie’ die tegen middernacht huiswaarts geblèrd werd.

’s Winters toverde de klusser de stoep voor het huis om in een ijsbaan. Planten verdwenen uit de tuin. Kinderen bouwden een hut tussen de coniferen. Na ruim dertienhonderd dagen en nachten was ik nog niet gewend. 

Slechts één mooie herinnering heb ik aan dit huis overgehouden. De dag dat de Rolls Roys voorreed. De dag waarop ik in mijn trouwjurk de trap afliep en Maarten zichtbaar geroerd was. Mijn vader die volschoot en die ik nog nooit had zien huilen. Maarten en ik die onze trouwbelofte uitspraken die twintig jaar later nog steeds van kracht is.

Toch is de mooiste dag van mijn leven de dag dat we de sleutels van de Diamanthof konden inleveren.


Wipkip