Marcel: Het speenvarken

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Marcel: Het speenvarken
Marcel Geschreven door:
Marcel,
Oktober 2010

In de keuken had ik hem ’s ochtends al zien liggen. Gewrongen in een rare bocht, de tong half uit de bek. Een speenvarken. Heel erg dood.

Hij lag in een grote, zinken afwasteil die zolang in een hoek was gezet. Er stond een bodempje water in dat was vermengd met bloed. De link was snel gelegd. Ik stond oog in oog met datgene wat het hoogtepunt van het kerstdiner zou moeten worden. Mijn maag draaide zich een paar slagen om.

Varkensvlees eet ik weliswaar graag, maar deze aanblik ontnam me meteen al mijn eetlust. En de wat zure lucht die het beest afscheidde maakte het alleen maar erger.

Het beeld van het speenvarken kreeg ik de rest van de dag niet meer uit mijn hoofd. En de gedachte dat het arme dier ‘s avonds geroosterd of gebraden prominent op tafel zou staan om te worden opgegeten al helemaal niet.
Maar ik zou er, vrees ik, toch aan moeten geloven. Ik was immers te gast. Ik was toen nog alleen en was door mijn oudste broer en Portugese schoonzus uitgenodigd om de kerstdagen in haar geboorteplaats door te brengen en gezellig samen met haar familie te blijven eten.

Ik was er al vaker geweest. Was ook altijd blijven eten. Dat hoorde erbij. Want ‘nee’ zeggen, dat doe je daar niet. Dat druist tegen alle regels – geschreven of ongeschreven – in. Zoiets wordt gezien als een grove belediging.

Zoals je daar ook geen ‘nee’ mag zeggen tegen het eten dat je wordt aangeboden. De knoop in mijn maag werd strakker aangedraaid naarmate het sein om aan tafel te gaan dichterbij kwam.

Tegen achten – in het zuiden eten ze vrij laat - was het zover. Behoedzaam naderde ik de tafel. De kust was veilig. Tenminste, vooralsnog. Het voorgerecht werd geserveerd, een onschuldig ogende groentesoep.

De familie, bestaande uit ouders, twee tantes, een broer en een neef, mijn broer en schoonzus begonnen lustig te
lepelen. Zelf hield ik het bij kleine hapjes. Mijn eetlust was bij de wortel afgekapt. En toen de lege borden werden verzameld en er ruimte op tafel werd gemaakt voor het hoofdgerecht, nam de spanning nog wat toe. Er viel nu niet meer aan te ontkomen.

Uit mijn ooghoek zag ik hem al komen. Op een zilveren schaal droeg de vader van mijn schoonzus hem binnen.

Het speenvarken lag uitgestrekt op zijn buik en was geheel bruin gebraden met hier en daar een zwart geblakerd plekje.

Met een zo stoïcijns mogelijk gezicht, ter afleiding wanhopig denkend aan bossen met geurige dennenbomen, heb ik het mij toebedeelde stuk – gesneden uit de linkerflank – naar binnen gewerkt. Met tanden zo lang als tentstokken.

Ik slaakte ongemerkt een bevrijdende zucht toen het voorbij was. De schaal was inmiddels een beetje gedraaid. De kop, die daar nog op lag, keek me met half dichte, doffe ogen recht in mijn gezicht aan. Even dacht ik dat er een smalende blik in verscheen. Maar dat kan verbeelding zijn geweest.