Katrien: Het diner

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Katrien: Het diner
Katrien Geschreven door:
Katrien,
Oktober 2010

Het is een koude winterdag en ik trek mijn winterjas dicht tegen me aan. Feestkledij is werkelijk niet geschikt voor het seizoen. Daar hing het aan het rek, mijn little black dress met fonkelende zwarte knopjes.

Ik word verwacht in een herenhuis aan de gracht. Mijn stadsplan wappert in mijn wollen hand, het voelt alsof de wind me van mijn sokken blaast.

Maar hier ben ik dan, en zie, mijn zwarte knopjes weerspiegelen in de grote glazen kroonluchter van het huis. Ik fonkel als de pas opgezette kerstboom, echt niet met opzet.

Ik ben aangekomen, en de mensen rond me lijken gearriveerd. Ik in mijn wat gelige ooit sneeuwwitte jas, zij in galaoutfit.
Ik voel me niet echt op mijn plaats, maar kijk er is champagne.

Die verdrijft de koude hoop ik, en mijn bevroren woorden voor het moment. Af en toe laat ik me ertoe verleiden ergens heen te gaan waar ik buiten de gastheer niemand ken, want waar leer je anders nog eens iemand nieuw kennen?

Dat is, ik ga ervan uit dat de andere aanwezigen zin hebben om zich los te werken uit hun leuke gesprekken met hun vrienden, en een nobele onbekende deel te laten nemen aan hun gesprek. Een mooi gebaar in de koudste tijd van het jaar? Ik klok de champagne naar binnen en verlies de grote wandklok niet uit het oog.

Met dank aan de champagne heb ik het nu toch al licht borrelend warm. Wanneer de grote en de kleine wijzer elkaar vinden, en nog steeds niemand mij tegen middernacht, neem ik me voor naar huis te gaan. Geen mannen in rendiertruien hier, was dat niet de laatste trend? De mannen in smoking met strik lijken net opgestaan uit hun
kist, nee hier ga ik mijn kerstpakje niet vinden. 

Naar de keuken dan maar, waar de sneeuwkristallen uit de kerstboom plaats maken voor koekjesgezelligheid. Ik smelt wanneer ik hem zie: hagelwit, landelijke stijl, de muren in Hopper groen, een Smeg koelkast die je wil knuffelen als een boom in het bos. Kijk, mijn armen kunnen er niet omheen, zoveel eten kan erin.

Tartaar van tonijn, bladerdeeghapjes met geitenkaas, dit wordt toch nog een feestje. Ik laaf me aan het eten en de aangestoken open haard. Alle stijladvies negerend, nestel ik me in de chesterfield in een Engelse plaid annex picknickdeken.

Vijf voor twaalf, en dan, wanneer alle hoop bijna verloren ging onder een laagje glazuur, staat hij ineens voor me: warme ogen, nestelende blik, vachten jas, groot genoeg voor ons twee. Dan stappen wij de nacht in, door een besneeuwde stad, voor een kerstroze kus.