Jan Fokko: het kerstdiner alias het grote ribbendrama

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Jan Fokko: het kerstdiner alias het grote ribbendrama
Jan Fokko Geschreven door:
Jan Fokko,
November 2010

‘Wat eet hij?’, had ze gevraagd, waarop haar dochter antwoordde: ‘Nou, een stuk vlees lust hij wel, want soms eet hij wel een kilo spareribs’.

Schoonmoeder wil bij haar eerste ontmoeting met schoonzoon tijdens de kerst alles goed doen en dus mikt de slager met een boog een halve koe in haar boodschappentas. Onthutst kijkt schoonmama in de zak. ‘Gaat hij dat eten?’, vraagt ze zich bezorgd af, ‘dan moet het wel een grote jongen zijn…’

Dezelfde avond schuiven we na kennismaking eerbiedig aan tafel. Alles is mooi, netjes en heeft zijn plekje hier in huis. Eigenlijk is er maar één ding niet op zijn plek.

Als mijn soepkom leeg is, zeg ik schoonmama dat deze gezouten groentebouillon het meest zalige is dat ik in maanden heb geproefd. Ze keert meteen blozend haar hoofd af.
Ik weet: ik heb haar volledig ingepalmd. Bij schoonpapa meen ik even een licht spottende blik in de ogen te ontwaren.

Ma schrijdt gewichtig de eetkamer in met in haar armen een kolossale dampende schotel die ze in een vloeiende boog naast mijn kleine bordje doet neerkomen.

Ik voel een lichte vochtigheid opkomen op de tong, alwaar al mijn enzymen bezig zijn in voorbereiding op hetgeen komen gaat: een goed stel gaar zwarte verkoolde ribben. Mijn gezicht toont roofdierachtige trekjes, een licht optrekkende mondhoek met ontbloting van de Dens cuspidatus, ofwel de hoektand.

Het valt me op dat pa’s vorkje niet meer prakt, maar ergens in de lucht hangt boven een van de laatste ongeprakte aardappeltjes. Via zijn trillende hand en arm glijdt mijn grijnzende blik naar zijn gezicht. Afgrijzen, is het enige toepasselijke woord dat een indruk geeft van zijn vertrokken gelaat.

Drie paar ogen boren zich een weg in mijn koe en er hangt een gespannen en afwachtende sfeer in afwachting van mijn eerste hap. Een rilling langs mijn rug. 
De ogen van mijn schoonouders doorklieven me. Een druppeltje jus valt ondertussen van het nog altijd zwevende vorkje en kletst in het bord van schoonpa en verbreekt daarmee de stilte, lees: je kunt een naald horen vallen.

Met beide handen vorm ik een solide grip en grijp een stevige plaat koe bij de kladden. Ik hef een en ander de hoogte in tot mijn smachtende mond binnen bereik is en zet dan mijn tanden in het malse vlees, terwijl ik de jus langs mijn wangen voel lopen. Het resultaat is oorverdovend: stilte.

Links zie ik mijn ribben uit het zicht verdwijnen en daarachter de grote ogen van mama, rechts idem, maar dan papa. Ik maak enkele malende bewegingen met mijn sterke kaken en scheidt mijn hap van het overige deel. Het vet sprietst. Schoonmama kraamt uit: ‘Eet je dat zo?’

Beheerst laat ik mijn plaat zakken, haal het (te) kleine servetje langs mijn lekkende mondhoeken en stroop mijn mouwen weer af. Semizelfverzekerd pak ik vork en mes en eet stilzwijgend mijn ribjes. Dit is de eerste en laatste keer dat mijn ribben met vork en mes eet.