Anneke: De grote kamer

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Anneke: De grote kamer
Anneke Geschreven door:
Anneke,
September 2010

“Wat is het hier groot!” roep ik uit. Net thuisgekomen na een rondreis door een vrij primitief land.

Twee weken hebben mijn man en ik geleefd uit de koffer en geslapen in kleine kamers. Ik adem diep. “Wat een enorme ruimte”, zeg ik. Onze sleetse bank heeft opeens allure, mijn hoge leunstoel lijkt wel een troon. Post en kranten liggen keurig op tafel, dankzij de buren. Nieuwsgierig beginnen we te lezen en al gauw is de tafel bezaaid met papier.

Na een uur wordt er aangebeld. “We zagen de auto staan,” melden mijn dochter en schoonzoon en met veel lawaai rennen onze drie kleinzoontjes langs ons naar binnen.

Natuurlijk zijn die benieuwd naar de souveniers. Gezamenlijk slepen ze de koffer vanuit de gang naar de kamer.“Waar heb ik nou toch verdikkeme alle cadeautjes gelaten?” mopper ik graaiend in een berg vuile kleren.

De helft van de kofferinhoud ligt al op de vloer. Gelukkig, ik heb ze. Het
pakpapier ligt even later om me heen.

Maar omdat ik de kinderen twee weken niet heb gezien, vind ik ze alleen maar lief. Ik zie geen kans om de vuile was snel in de koffer te doen. In het buitenland moest ik erop zitten om hem goed dicht te doen. Onze verhalen vullen inmiddels ook de kamer.

Ik zwaai de tuindeuren open en de kleintjes rennen naar buiten met hun nieuwe knuffels van kamelen. Die kunnen meteen spelen in het zand. Dat zijn kamelen tenslotte gewend.

“Laten we een glaasje wijn met elkaar drinken,” zegt mijn man vrolijk. “We hebben in elk geval ook nog wel nootjes in huis.

Het zweet staat me al op m’n neus als mijn dochter zegt. “Weet je wat, ik haal straks even iets van de Chinees. Jullie moeten tenslotte nog warm eten en wij ook.”

“Ja,” zeg ik: “lekker”. “We dekken de tafel niet hoor,’ zegt mijn man als de nasi wordt binnengebracht. “Veel praktischer als iedereen zelf wat pakt. Er zijn nog wel plastic bordjes. Hoeven we straks ook niet af te wassen.”

Het wordt steeds gezelliger. De kinderen vermaken zich, rennen in en uit. Van
de wijn of door de vermoeidheid als gevolg van de lange reis moet ik gapen. Mijn dochter begrijpt de hint. “We gaan naar huis! “ “Laat maar,” zegt mijn man als ze wil helpen met opruimen “de kinderen moeten ook naar bed.”

Als iedereen weg is, kijk ik om me heen. Waar is mijn grote kamer? Ik zie een ravage. Raap pakpapier van de grond en korreltjes nasi.

Mijn schoenen schuren over het zand dat kinderschoenen mee naar binnen genomen hebben. Ik struikel bijna over de koffer, waarvan de inhoud nog gedeeltelijk op de grond ligt. Een aantal kranten is op de vloer gegleden, sommige hebben de bruine kleur van saté.

Ik zak in mijn makkelijke bank en kijk verbijsterd om me heen. Hoe krijgen we het nou in zo’n korte tijd voor elkaar? Net hadden we toch nog zo’n grote kamer? Ik ben weer thuis, wennen hoeft niet meer.

 
Koffer