Marjoke: Zonder grenzen

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Marjoke: Zonder grenzen
Geschreven door:
Marjoke,
Mei 2010

Na lang aarzelen heb ik besloten deze brief aan jou te schrijven.

Het is nacht nu. De straten zijn leeg. Voor mijn raam rukt de wind aan de takken van de kersenboom.

Ik herinner me hoe ik je welkom heette in mijn geborgen omgeving. Jij, die zoveel ontberingen achter de rug had. Je vroeg asiel aan in ons land en mocht blijven, voorlopig. Een dak boven je hoofd, een bed, een plek om uit te rusten.

Toen ik je ontmoette was de honger uit je ogen verdwenen. Maar de kou leek zich in je genesteld te hebben en de angst hing als een schaduw over je heen.

We spraken over andere dingen. Vrouwendingen, constateerden we lachend.

Je leerde me hoe we, met een hennabad van poeder, olijfolie en ei, onze haren konden doen glanzen. Ik borstelde met lange slagen je zwarte krullen. We verfden onze wenkbrauwen en wimpers en waren ijdel, overtuigd van ons mooi zijn. En van je hoofddoek maakten we een prachtige omslagsjaal.

Zo sloten we de wereld buiten.

Je leerde me hoe basmatirijst te bereiden. Dolma en sambosa uit de oven. En hoe thee met kardamom kan smaken. Echte thee.

Ik leerde je koffie drinken en hutspot maken en nam je mee naar ons polderland, ons molenland. Ik toonde je de zee, de randstad, de groene heuvels in het zuiden. Onze kerken, bloemenvelden en de typisch Hollandse luchten.

En jij schilderde terug met woorden en ik kreeg een beeld van het land dat jij noodgedwongen moest verlaten. Van zijn uitgestrektheid, zijn kleur van zand en leem. Van bergen, steden, dorpen. Van sappige vruchten, brandende zon, de mannen en de vrouwen, de Islam, het leven van alledag.

We passeerden moeiteloos grensposten, taalbarrières, geloofsovertuigingen, cultuurverschillen. We schepten een eigen taal en lieten onze ziel spreken door een oogopslag, een handgebaar. We werden tweelingzielen en ik ging van je houden.

Ik bood je de bescherming van mijn huis. En je trok letterlijk de muren om je heen. Met de kachel hoog en de gordijnen gesloten. Ik kwam en ging, mijn dagelijkse tred, terwijl jouw wereld steeds kleiner werd.

Toen kwam de dag dat ik je niet meer aantrof. De huiskamer was koud en zielloos, de keuken zonder etenslucht, je bed afgehaald, de ramen en gordijnen wijdopen.

Wekenlang zocht ik je, in stad en steeg. Je was weg en bleef weg. Thuis zocht ik naar sporen, een vergeten kledingstuk, een tube tandpasta. Niets heb ik ooit aangetroffen.

Wij hebben geen afscheid genomen. Nu weet ik dat je dat bewust niet hebt gedaan. Vriendschap blijft immers, voor eeuwig. Ergens in het heelal loopt een draad van jou naar mij. Wij delen dezelfde horizon.

Nu onderteken ik deze brief met al mijn liefde en schuif hem in een envelop van geschept papier. Je adres weet ik niet, maar ik zal jouw naam met de mooiste letters schrijven. Dan loop ik naar de brievenbus op de hoek, waar ik hem zorgvuldig zal posten.

Ik ben ervan overtuigd dat deze brief je bereikt.