Cindy: Noorwegen

Home » Blogs: Gewoon opgeschreven » Cindy: Noorwegen
Geschreven door:
Cindy,
Mei 2010

Onze entree in Noorwegen maakten we spectaculairder dan gepland.

‘Joehoe,’ schreeuwde ik nadat de paspoorten van onze hond en twee katten waren gecontroleerd en goedgekeurd.

Eindelijk, eindelijk passeerden we de grens, de magische grens tussen oud en nieuw, bekend en onbekend, tussen alleen maar dromen en werkelijk doen.

Het avontuur lokte: mijn avontuur, ons avontuur.

Opgewonden wipte ik op en neer op mijn stoel. ‘We zijn er,’ schreeuwde ik. ‘we zijn er echt, ongelooflijk! We doen het gewoon!’

We riepen en praatten met ons vieren door elkaar zonder naar ook maar één woord te luisteren.

Juist waren we met onze beestenboel zonder kleerscheuren de grens gepasseerd. Ons nieuwe leven was echt begonnen.

Vandaag zouden we in het huis slapen waar mijn man al zes weken had gewoond

voordat hij ons kwam ophalen voor het grote vertrek. In de keuken lag een plak chocolade op ons te wachten. Op ons! Wat een gek idee dat dat ding daar al lag. Terwijl ik dozen inpakte en selecteerde wat wel en wat niet meeging, kocht mijn man die reep en legde hem vast op het aanrecht. Voor als we zouden aankomen en dat was al bijna.

In de kachel had hij krantenproppen en aanmaakhoutjes gelegd, zodat we die meteen konden aansteken. Die aankomst was feestelijk, dat weet ik nog. Maar dat terzijde.

Toen ik me eindelijk weer ontspande, zag ik mijn nieuwe leven voor me, ons nieuwe leven:
het uitzicht op de bergen, het bospad dat vanuit huis verder het dal inging en uitkwam bij het meer waar we vast en zeker ’s zomers een eigen roeiboot zouden hebben want dat was deel van de droom, de vuurtjes die we gingen stoken in de sneeuw waarbij ik folkloristische wanten zou dragen met elandjes erop. Ik had me voorgenomen elke week vis te vangen en ik zou meteen contact zoeken met de buren want dat was wel zo aardig. En ik zou alles zelf bakken natuurlijk. Iedereen kreeg appeltaart.

Achteraf gezien ging het allemaal iets anders, ook leuk… zeker, maar toch anders.

We waren net de grens over toen onze dochter door de auto schreeuwde: ‘Pap, stoppen.’

‘Wat?’ vroeg hij hard en ik keek achterom.

‘De katten!’ gilde ze nog harder dan net en sloeg me zenuwachtig op mijn schouder. ‘Mam, doe iets!’

Toen zagen we het alle vier. De achterklep van onze rode Volvo stond wagenwijd open. De bench waar onze twee katten inzaten, stond akelig dicht bij de rand waarachter het wegdek voorbij schoot. Ook onze computer verkeerde in die gapende gevarenzone.

Natuurlijk konden we niet meteen stoppen.

Pas op dat moment ook voelde ik het windje dat door mijn haren streek. En pas op dat moment, ja echt, begreep ik waarom zoveel bestuurders ons claxonerend en gebarend voorbij waren gezoefd.

Mijn wangen kleurden rood.

Ik had naar ze teruggezwaaid alsof we nu al vrienden waren, want natuurlijk zou ik een berg vrienden maken in mijn nieuwe land.